CA-Lezing 2026 SU

DIT IS SURINAME: de literaire bijdrage van Clark Accord

Lezing gehouden voor de Clark Accord Foundation op 11 mei 2026, bij Apintie TV, Paramaribo
Ismene Krishnadath

De Clark Accord Foundation heeft me gevraagd om de literaire ontwikkelingen van de laatste 50 jaar te bespreken en daarbij de rol van Clark Accord. Ik denk dat we liever 100 jaar terug kunnen beginnen. De dekolonisatiebewegingen die toen ontstonden hebben namelijk een enorme invloed gehad op de literaire ontwikkelingen van de afgelopen vijftig jaar. 1926 is het startjaar van de moderne Surinaamse literatuur. Toen verscheen Zuid-Zuid-West van Albert Helman. Het was een roman die we kunnen plaatsen onder de noemer van ‘the empire writes back’. The ‘empire writes back’ omvat de postkoloniale literatuur die vanaf de eerste kwart van de 20ste eeuw verscheen en de koloniale samenlevingen in hun verhouding tot de moederlanden tot centrale onderwerp heeft. In Suriname krijgen we verder in 1934 Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. Dan maak ik een sprong naar 1957 toen de dichtbundel Trotji van Trefossa verscheen. Dat was een mijlpaal in de strijd om erkenning voor het Sranantongo, dat gezien werd als een minderwaardige taal. In 1959 is er nog zo’n mijlpaal toen het tweede couplet van ons volkslied werd ingevoerd. Ook van de hand van Trefossa. Deze dichter inspireerde veel anderen en je kan zeggen dat er vanaf die tijd een nationalistische stroming van Surinaamse schrijvers ontstond die nog steeds het werk van hedendaagse Surinaamse schrijvers beïnvloedt. Mensen die in de zestiger en zeventiger jaren opkwamen waren Dobru, Slory, Shrinivasi, Johanna Schouten Elsenhout, Rappa, Bea Vianen, Edgar Cairo, Astrid Roemer, maar ook de broer van Clark, Marcel Accord, bekend onder de schrijversnaam Marac. Bij de kinderboekenschrijvers was Gerrit Barron het gezicht van het nationalisme. Ik wil in deze lezing betogen dat Clark Accord, hoewel zijn eerste boek pas in 1999 uitkwam, de hoofdgedachte uit de nationalistische stroming heeft meegenomen in al zijn werken. Dan heb ik het dus over De koningin van Paramaribo (zowel de roman als de monoloog voor de theatervoorstelling),over Bingo!, Tussen Apoera en Oreala, Plantage d’amour, Shirley in Allochtonië, Met eigen ogen (dat hij samen met Nina Jurma schreef) en over verschillende verhalen en stukken die in verzamelwerk verschenen, ja zelfs in het gedicht Huwelijk der continenten dat hij ter ere van het huwelijk van Willem Alexander en Máxima schreef.

Ik keek vorige maand naar de uitvaart van ex-president Chandrikapersad Santokhi en ik luisterde naar de speech van de president van Guyana, Irfaan Ali. Hij bracht de condoleances uit aan ‘the people of Suriname’. Ik vond dat zo mooi. Ik dacht, dat zijn wij. ‘We, the people of Suriname’.

Het kwam heel vanzelfsprekend uit de mond van Irfaan Ali, zo vijftig jaar na onze staatkundige onafhankelijkheid. Maar het is heel lang niet zo vanzelfsprekend geweest. Op de niet-witte mensen die in Suriname wonen is lang neergekeken. Je was vernegerd, of verkoelied, of verjampanesied, of een law sneysi. Om maar niets te zeggen over de manier waarop gesproken werd over onze Inheemsen en Marrons. De Nederlandse cultuur stond aan top en de koloniale overheid heeft na de beëindiging van het Staatstoezicht het onderwijs gebruikt om de mindset van Surinamers zodanig te beïnvloeden dat zij deze cultuur gingen internaliseren. Van overheidswege is Suriname een hele tijd niet anders neergezet dan als een verlengd stuk Nederland. ‘We, the people of Suriname’, bestond niet.  

De jeugdroman Oorlog in Bakroeland (1987) van Gerrit Barron is een allegorische weergave van dit proces. Het vredige en welvarende Bakroeland is overgenomen door Tatania. Door verdeel- en heerspolitiek ontstaat een bevoorrechte groep. Van het koninkrijk Tatania krijgt iedereen die behoort tot de bevoorrechte groep een witte pruik, hemden met lange mouwen, witte kousen, witte handschoenen en elke maand twee kilo witte poeder om op de huid te smeren. Dit alles was bedoeld om hen dichter bij het witte, Nederlandse ideaalbeeld te brengen.

De nationalistische beweging is een protest tegen het superieure beeld van de Nederlandse cultuur en de daarmee samenhangende minachting voor de andere eigenheid van Suriname en haar bevolking. In hun werk richten de schrijvers en dichters zich op Suriname, op datgene wat Suriname Surinaams maakt, op het mooie daarvan, maar ook op de problemen die om een oplossing schreeuwen. Clark Accord heeft gedaan wat Dobru eerder als volgt had verwoord:

Loop met mij mee, laat me je mijn land laten zien.
Widescreen technicolor, prachtige kleuren, heerlijke geuren,
van de zon
Goed dan,
Het is een land van ergerlijke wantoestanden
Oude afgeleefde banden met een vergeeld verleden
Een vuilnishoop.
Ik houd ervan.

Ook dat ‘ik houd ervan’ geldt voor Clark. Het blijkt onder andere uit de oprichting van de Stichting Wilhelmina Rijburg die jarenlang maaltijden heeft verstrekt aan arme ouderen.

In aanloop naar de onafhankelijkheid lieten de nationalistische dichters flink van zich horen. Onder andere bezochten ze scholen. Ik heb zelf in 1969, ik zat toen op de Froweinschool, een bezoek van Dobru aan de school meegemaakt en herinner me nog goed hoe wild enthousiast de leerlingen reageerden. Dobru had ook de school van Marcel, Clarks broer, bezocht. Via Marcel kwam Clark in aanraking met nieuwe, progressieve ideeën. Hij sloot zich aan bij de jongerenafdeling van het Democratisch Volksfront, een politieke partij. Bram Behr was de voorzitter van de jongerenafdeling. Zijn groep deed ontwikkelingswerk in arme wijken en probeerde de mensen bewust te maken van socialistische ideeën. De plek waar de groep van Bram Behr bijeenkwam, was niet ver van de Van Idsingastraat waar Clark woonde. Hij ging er regelmatig naar toe.

We kunnen er dus vanuit gaan dat Clark al vroeg nationalistische en anti-kolonialistische ideeën mee heeft gekregen. Tegelijkertijd moeten we niet vergeten dat Clark, net als alle andere Surinamers, onder invloed stond van de Nederlandse cultuur. De Nederlandse cultuur kwam je overal tegen: op school, in de media, op de kantoren en vooral ook in de hoofden van mensen om je heen. Clark was zich daarvan bewust. Juist daarom had hij oog voor datgene wat niet-Nederlands was; voor de eigenheid van andere culturen, voor datgene wat in Suriname was ontstaan en Surinaams is geworden, voor de natuur en de geografische realiteit.

Nadat zijn schrijverscarrière was begonnen, is Clark lid geworden van Schrijversgroep ’77. Deze vereniging is direct voortgekomen uit de nationalistische beweging. Clark heeft onder andere meegedaan aan het internationale festival Wan tru puwema dat in 2010 door S’77 in Suriname werd georganiseerd. In de publicatie Zoveel zinnen, zoveel talen die uit dit festival voortvloeide is een stuk van Clark opgenomen met de titel  Meertaligheid, een zegen of een vloek?  Houd u dit vast, want ik kom er later nog op terug. Clark heeft in zijn literair werk ervoor gekozen om Surinaamse mensen te profileren vanuit een perspectief, dat recht doet aan hun oorspronkelijkheid en eigenheid. Dat heeft hij gedaan in al zijn werk, maar in verband met de tijd bespreek alleen drie van zijn romans om dit aan te tonen.

Ik begin met De Koningin van Paramaribo. Dit boek gaat over het leven van de prostituee Wilhelmina Rijburg, alias Maxi Linder. Zij leefde van 1902 tot 1981. Clark kiest de binnenstad van Paramaribo en de Waterkant als belangrijkste setting in zijn boek. Dit wordt benadrukt door de verschillende hoofdstukken te noemen naar een straat en een jaartal. Bijvoorbeeld Hoogestraat 1902, Saramaccastraat 1938, Waterkant 1941, Kerkplein 1964 etc. Zijn belangrijkste personages zijn Afro-Surinaamse mensen. In die tijd werd het hoerenberoep nog voornamelijk door Creoolse vrouwen beoefend. Ze hebben typische Surinaamse namen, zoals Baka-iri, Agutobo, Dun Dun. Overigens komen er regelmatig Sranan en Surinaams-Nederlandse woorden voor in het boek. Ook in de dialogen herken je de Surinaamse tong. Ik geef een voorbeeld waar de moeder van Wilhelmina haar toespreekt:

‘Meisje, mars je weg van het venster. Heb ik je niet gewaarschuwd bij het raam weg te gaan als die motyo’s voorbijkomen.’

De Surinaamse tong is ook expliciet aanwezig in de toneelversie van De koningin, die vaak is opgevoerd door de Surinaamse actrice Helen Kamperveen.

Citaat: Grontapu. Grontapu na asitere. De wereld is net de staart van een paard, de ene keer zwaait hij zus, de andere keer zo. Als je me kende toen ik Máxi was… Eh-eh, je zou niet met me kunnen!

In het boekje met de tekst van de toneelversie schrijft Clark in het nawoord over de launch van het boek op 22 januari 1999.

Citaat: Zonder erbij na te denken had ik gekozen voor een Surinaamse sfeer – ik, de mondaine wereldburger, de hippe visagist die sinds jaar en dag de wereld rondreist, de juiste plekken bezoekt en op de hoogte is van de geldende codes in trendy Amsterdam…. Ik kwam met traditioneel Surinaamse muziek, vrouwen in koto’s, fiadu, pastei. Journalisten en cameramensen legden alles vast alsof er iets unieks gebeurde. …. Die nacht ging ik voldaan naar bed.

Clark is op zijn zeventiende naar Nederland verhuisd. Na een opleiding in de verpleging, stapte hij over naar de modewereld. Hij werd een succesvolle visagist, die internationale bekendheid genoot. Als er iets belangrijk is in de modewereld is het wel dat je gezien wordt. Clark besteedt dan ook veel aandacht aan het uiterlijk van Maxi Linder, waardoor we een indruk krijgen van wat chique was in haar glorietijd. Amalia, de moeder van Maxi Linder, heeft een stoffenkraam op de markt. Clark somt op wat ze allemaal verkoopt. De Suzanna-organdie in verschillende kleuren en patronen, de satinet-, samson- en herculusdril, verschillende soorten anitri-strepi, poplin, sephire, effen katoentjes in diverse kleuren, modo blauw, rode en blauwe pina-ede, sarpusu etc.

Clark ziet ook dat Trude, een vriendin van Amalia, haar geld in dichtgeknoopte zakdoeken in haar bh bewaart. Ze draagt een feda(een soort anisa), waarvan de punten omhoog staan. En ze verplaatst een alanyatiki van de ene hoek van haar mond naar de andere. Dit zijn allemaal herkenbare Surinaamse taferelen. Opvallend is het vele goud dat MaxiLinder droeg. Haar vader was goudzoeker. Dat goud kwam dus niet van de prostitutie. Het is alsof Clark wil zeggen. Kijk hoe rijk Suriname is!

De Tweede Wereldoorlog was een periode die de ondergang van Maxi Linder inluidde. Ze werd vernederd door een witte Amerikaanse soldaat, afkomstig uit het racistische zuiden van Amerika. Een afgewezen Surinaamse minnaar liet haar interneren in Katwijk, waar ze gebrandmerkt, verkracht en van haar bezittingen werd beroofd. Ook dit is Suriname. We kunnen de historie niet ontkennen.

Het boek eindigt met de begrafenis van Maxi, uiteraard op zijn Surinaams. De dansende menigte zingt uit volle borst Nanga palm a de go. In dit stuk laat Clark ook zien dat het christendom een plek heeft verworven in Surinaamse tradities van Afro-Surinamers. Vol overgave zingen de begrafenisgangers ‘Hoe groot zijt gij’. De tekst van dit lied is in extenso opgenomen in zijn boek.

Ik ga nu over op een ander boek van Clark: Tussen Apoera en Oreala, dat verscheen in 2005. Het verhaal is gesitueerd op plekken langs de Corantijnrivier. De hoofdpersonages zijn nakomelingen van Joerhi-Tokorho, die in het verre verleden een groot offer heeft gebracht om haar stam te redden van vernietiging door de Ekekoeli, witte mensen.

De grootschalige vernietiging van culturen van de oorspronkelijke bewoners van Amerika door de invasie van westerlingen na 1492 is wereldwijd bekend. Toch is de erkenning van dat leed niet echt zichtbaar op het westerse wereldtoneel. In ieder geval niet zoals de Holocaust en de laatste tijd de Trans-Atlantische slavernij.

Ik weet niet wat Clark ertoe heeft gebracht om een verhaal over inheemsen te schrijven, maar Inheemsen maken deel uit van de Surinaamse samenleving. Er ligt momenteel zelfs een wetsvoorstel om in de grondwet op te nemen dat de inheemsen de oorspronkelijke bewoners zijn van ons land.  

Laten we naar Clarks boek kijken. Wat vertelt dit boek over Suriname? Clark beschrijft het Surinaamse regenwoud, de natuurlijke habitat van onze inheemsen. Hij beschrijft hun uiterlijk, de manier waarop ze zich kleden, hun tradities, hun spirituele connectie met de geestenwereld en de voorouders, de manier waarop ze met elkaar samenleven, de manier waarop ze in hun levensonderhoud voorzien. Ook laat Clark zijn waardering voor orale verteltraditie blijken door het verhaal van de honingzoeker op te nemen. In de relatie tussen de hoofdfiguren – Kolasji en zijn vrouw Sathobang – komt de strijd tussen de inheemse religie en het christendom tot uiting. Maar…, het boek is geen antropologische studie, het is een verhaal over mensen met emoties. Die emoties, soms heftig, soms subtiel, maar altijd treffend beschreven, maken het boek tot een literair werk.

Dan over het taalgebruik. Ik noemde al eerder Clarks artikel Meertaligheid, zegen of vloek? Hierin concludeert hij dat meertaligheid voor Suriname eerder een vloek is dan een zegen. Was meertaligheid een vloek toen Clark Tussen Apoera en Oreala schreef? Zijn personages zijn Arowakssprekende mensen. Clark kan helaas niet spelen met deze taal, zoals hij kon spelen met het Surinaams-Nederlands en het Sranantongo. Clark heeft de taal gebruikt waarin hij het meest geschoold is, het Nederlands. Hij beheerst deze taal op literair niveau en weet dat prachtig in te zetten bij de formulering van zijn tekst. Maar de taal in Tussen Apoera en Oreala heeft niet de flair die hij bij De Koningin van Paramaribo kon inzetten, omdat hij bekend was met de taal van de volksbuurten van Paramaribo.

Toch heeft hij wel geprobeerd ook in zijn taal het Arowakse te laten doorklinken, bijvoorbeeld in de namen. Je zou denken dat dit normaal is, maar toen ik Veren voor de piai – een jeugdroman met inheemsen in de hoofdrol – schreef, had ik het laten lezen door een pater die ik toevallig kende. Hij zei dat hij de namen zo ingewikkeld vond. Impliciet was dat een suggestie om makkelijkere (lees westerse) namen te gebruiken. Overigens was het in het christendom gebruik dat bekeerde inheemsen een westerse naam kregen. Kolâshi heet dus ook Paul. Clark geeft dit wel aan, maar gebruikt de naam verder niet om zijn personage te benoemen. Verder komen er natuurlijk typische Surinaamse en inheemse woorden voor in het verhaal (kashiri, kainama, koeswe, tokotsji, okopipi, makka, krappa). Op bladzijde 153 heeft Clark een populair Arowaks vers opgenomen. Wandabôthe, wandabôthe, wasjikwa, wajâthe. Tenslotte merkte ik op dat Clark, net als in De Koningin christelijke teksten in zijn verhaal opneemt. Kolâsji, die voorganger is in het dorp, bidt om vergeving voor zijn vrouw Sathobang. Hij spreekt Psalm 23 uit. De heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets……enz.

Het derde boek dat ik bespreek is Plantage d’Amour dat in 2011 postuum is verschenen. Hoofdpersoon is de Surinaamse Nederlander Kenneth Campbell. Hij gaat op zoek naar zijn roots, nadat zijn Hollandse vrouw hem te verstaan heeft gegeven dat ze er met geen haar op haar hoofd over piekert hun huwelijk te bezegenen met een nakomeling. Opnieuw de vraag: Wat laat dit boek van Suriname zien?

Ten eerste is dat de relatie tussen Nederland en Suriname. Nederland heeft langer dan 300 jaar de dienst uitgemaakt in Suriname. Daarmee is Nederland in de haarvaten van Surinamers gaan zitten. De relatie met Nederland is een deel van de Surinaamse identiteit. Een groot deel van de Surinamers woont in Nederland.

Ten tweede zijn daar de roots. In Clarks boek liggen de roots van Kenneth in Para. Kenneth ontdekt dat zijn betovergrootvader is vermoord door slaveneigenaren. Hij komt erachter dat hij via een specifiek familie-ritueel te horen kan krijgen wat zijn betovergrootvader hem te vertellen heeft.

Persoonlijk vind ik dit boek af en toe wat uitleggerig en langa bere. Bijvoorbeeld als de Galinja Nkasi vertelt over de winti-tradities. De Galina Nkasi is zoiets als een belangrijke bonuman. Ook de relatie van Kenneth met het andere hoofdpersonage, Nadira, is erg voorspelbaar. Misschien had Clark langer moeten leven en de gelegenheid moeten krijgen om zelf de laatste hand te leggen aan het boek. Maar ja, de dingen gaan zoals ze moeten gaan. Aan de andere kant lijkt het boek mij makkelijk leesbaar voor middelbare scholieren. Zij kunnen via het verhaal op een plezierige wijze kennismaken met de wintireligie, een deel van Suriname dat voor sommige mensen nog steeds een taboe is.

Conclusie

Clark heeft in zijn werk Surinamers centraal gesteld. Daarmee heeft hij Suriname laten zien. Dat is niet alleen interessant voor mensen die Suriname niet kennen, maar het is vooral belangrijk voor ons, ‘we, the people of Suriname’. Hij heeft ons een spiegel voorgehouden waarin we mooie dingen kunnen zien waarop we trots mogen zijn, die we niet hoeven te verbergen. Daarnaast zien we in de spiegel ook minder fraaie zaken, die ‘we, the people of Suriname’ moeten verbeteren.